Een 35-jarige Nederlander riskeert acht jaar cel voor het vier dagen lang folteren van zijn 23-jarige vriendin in hun woning in Genk. De vrouw werd in de arm geschoten, in het been gesneden, met een hamer op haar hand geslagen en gewurgd. De zaak diende op 25 juni 2026 voor de rechtbank in Tongeren.

Het misbruik vond plaats in juni 2024, nadat de man zijn vriendin van overspel verdacht. Ze werd ook bekogeld met glazen en vreesde voor haar leven. Het slachtoffer, die als jobstudente in het horecabedrijf van haar vriend werkte, schreef in een brief dat ze "als een wrak" uit de relatie is gekomen.

Het Openbaar Ministerie eiste acht jaar cel. De advocate van het slachtoffer, Pieter Filipowicz, vergeleek de wreedheid met slagerij en zei dat de man "zijn roeping als beenhouwer heeft gemist." Ook de rol van een huisgenoot die aanwezig was tijdens de aanvallen wordt onderzocht.